Liene, vanwaar de focus op het secundair onderwijs?
Liene: "Een specifiek aanbod voor elke doelgroep is onmogelijk, dus we moesten er een kiezen. De missie en visie in het nieuwe beleidsplan sluiten het dichtst aan bij jongeren. Niet in hun vrije tijd, maar in een schoolcontext omdat net dat heel veel raakvlakken heeft met Rubens en zijn werk. Vergeet niet dat hij zelf ook een atelier had waarin hij jongeren opleidde. Bovendien wilden we heel graag de buurt betrekken. Zo kwamen we uit bij het plaatselijke secundair onderwijs als basis voor de uitbouw van een vernieuwend scholenaanbod.”
Precies die jongeren die het moeilijkst bereikbaar zijn.
Liene: “Inderdaad. Op die leeftijd hebben ze een eigen mening en weten ze perfect wat ze willen. Dus dat dwingende karakter van een culturele uitstap heeft een averechts effect. Musea slagen er vaak niet in om linken te leggen met hun leefwereld. Bij kleuters en kinderen uit het lager onderwijs is dat makkelijker. Die vinden alles goed en zijn volgzamer. Maar ‘kom binnen en volg de gids’ werkt voor iets oudere jongeren nu eenmaal niet meer.”
Stijn: “Dat klopt. Vanaf de puberteit ontwikkelen ze eigen interesses en willen ze zelf op ontdekking. Op hún tempo. Het klassieke museumbezoek spreekt daarom minder aan. Een alternatief uitdenken dat wél prikkelt, is geen eenvoudige opdracht. Te meer omdat je in het secundair onderwijs uurroosters deelt met andere leerkrachten. Dat vraagt meer organisatie en verhoogt de drempel om in klasverband naar het museum te gaan, laat staan met meerdere klassen."
Waarom een langdurig traject met één school?
Liene: “Het museum ging net dicht voor restauratie en het had toen geen zin om na te denken over een nieuw aanbod voor het secundair onderwijs. Maar ik wilde de sluiting wel overbruggen via een samenwerking met een lokale school. Het Onze-Lieve-Vrouwecollege kwam meteen in beeld: het contact was al jaren heel nauw en we liggen op amper vijf minuutjes van elkaar. Twee schooljaren lang werd er intensief gewerkt rond Rubens, zijn oeuvre en het Rubenshuis.”